Categoriearchief: Dementie

Brood

Als ik binnen kom, zit mijn moeder nog als enige aan tafel. Ze is nog bezig met haar middageten. Geconcentreerd probeert ze een stukje brood met kaas aan haar vork te krijgen. Ze prikt en prikt. Ze houdt haar vork te schuin, ze krijgt het stukje er niet aan.

Na het even te hebben aangekeken, help ik haar. Ik pak haar hand en probeer de vork wat te draaien waardoor de tanden van de vork rechter in het stukje prikken. Het lukt, het stukje zit aan de vork. Langzaam beweegt ze de vork richting haar mond. Maar, net zoals bij een grijpapparaat op de kermis, valt het stukje er op het allerlaatste moment weer af. Ze opent haar mond te laat waardoor het stukje brood valt. Het verdwijnt tussen de zijkant van haar been en de rolstoel.

Ze probeert het met een volgend stukje brood. Ik zie dat ze haar vork verkeerd houdt. Ze drukt als het ware met de vork op het brood, niet in het brood. Na een paar keer proberen blijft een puntje van het stukje brood aan haar vork hangen. De vork gaat richting mond, het stukje wiebelt gevaarlijk heen en weer. Ik houd mijn adem in. Gelukt! Het stukje is in haar mond. Ze kauwt er langzaam op.

Er liggen nu nog drie stukjes op haar bord. De huiskamer is inmiddels verlaten, de tafel afgeruimd, tot aan de plek waar mijn moeder zit. Pas als het laatste stukje in haar mond zit en is doorgeslikt, kijkt ze langzaam op. “Dag ma” zeg ik. “Was het lekker?”

 

 

 

Geen Tijd

In opperste concentratie beweegt ze met een gele vaatdoek over het tafelblad. Mijn schoonmoeder van 92. Het is lang geleden en ik ga weer eens bij haar op bezoek. Via de lift en gang met prachtige bloemen, kom ik in de huiskamer. Een paar bewoners zitten in een stoel, op de bank, voor de tv, achter een tijdschrift.

Mijn schoonmoeder is druk. Met de doek in haar rechterhand veegt ze de kruimels richting de kant van de tafel. Daar vangt de linkerhand de kruimels op. Ze trippelt zittend in haar rolstoel, richting de prullenbak in de keuken en leegt de linkerhand. Ze dribbelt weer terug en gaat verder met de tafel. Ze heeft een blos op haar wangen.

“Dag Fientje!”, begroet ik mijn schoonmoeder. Ze kijkt verstoord op. Ze gli
mlacht even, maar haar glimlach verandert in een lichte verontrusting. “Ojee, wat leuk dat jij hier nu bent, maar ik ben aan het werk hoor…” Ze lijkt in paniek door dit onverwachte bezoek dat eigenlijk ongelegen komt. Ik vraag haar of ze tijd heeft om even koffie te drinken. Ze kijkt naar de klus waar ik haar in stoor en twijfelt.

Daar komt Mandy aan, de helpende van de afdeling. Zij komt mijn schoonmoeder te hulp. “Nou Fien, dat komt mooi uit dat jouw bezoek er nu is, want het is net tijd voor pauze. Leg je werk maar neer, en drink maar even lekker koffie!” O ja, gelukkig, daar is Fien blij mee. Nu kunnen we even koffiedrinken.

Fien vraagt “Hoe is het op je werk? Hoe is het met je man? Ben je blij in je huis?” Als de standaardvragen gesteld en beantwoord zijn, begint ze zelf te verIMG_1883tellen. Over haar vader die zo trots is op haar schilderijen. Over hoe hij als hij straks thuis komt uit zijn werk, eerst bij haar schilderijen gaat kijken. Fien straalt erbij.

Als we zijn uitgepraat, kijkt ze op de klok. “Je kunt beter zo gaan, want die mensen hier moeten zo eten. Ik moet de tafel dekken.” Ik besluit haar niet langer te storen en neem afscheid met een paar warme zoenen. Als ik bij de deur omkijk, is Fien alweer druk in de weer met haar gele poetsdoek. Ze heeft geen tijd om te zwaaien, ze heeft nog zes tafels te gaan.

Zomaar zitten

Mijn vader woont nu op de derde verdieping in een serviceflat en mijn moeder woont in hetzelfde gebouw, op een gesloten pg-afdeling. Soms komt het zo uit dat ik alleen naar hem ga en mijn moeder niet bezoek. Dat voelt altijd ongemakkelijk. Zeker sinds mijn moeder laatst opmerkte: ‘Soms ga jij alleen naar pa en niet naar mij.’

Vandaag ga ik naar mijn vader, hij heeft me gevraagd een klusje te doen. Eerst passeer ik de huiskamer van mijn moeder. Een aantal dames zit samen voor de TV, maar mijn moeder is er niet. Ik loop langs de kamer waar mijn moeder woont, op de begane grond, pal naast de ingang. Op de vensterbank staan wat foto’s, haar witte fauteuil staat er, een schemerlamp, een klein vierkant tafeltje, een kastje en haar bed. Op het prikbord achter haar bed enkele foto’s van kleinkinderen.

Ze zit op haar kamer. Ik parkeer mijn fiets precies voor haar raam. De schemerlamp zorgt voor een klein lichtbundeltje, waardoor ik haar goed zie zitten. Omdat het buiten schemert, kan ze mij niet zien. Ik blijf even naar haar staan kijken.

Ze zit in haar fauteuil. Ze heeft haar hoofd schuin, haar blik op de grond. Haar handen liggen in haar schoot. Ze doet niks, ze zit. Ze reageert niet op mijn zwaaien, ze ziet het niet. Slaapt ze? Nee, haar ogen zijn open.

Als ik een uurtje later terug kom van mijn vader is het inmiddels pikdonker buiten. Ik kijk opnieuw naar mijn moeder. De schemerlamp is nog steeds aan. Ze zit er nog steeds, als een standbeeld. Haar handen op haar schoot, de blik op de grond.

Ik pak mijn fiets, zwaai nog een keer tevergeefs. “Dag ma!” Ik fiets naar huis met een steen in mijn maag.