Zomaar zitten

Mijn vader woont nu op de derde verdieping in een serviceflat en mijn moeder woont in hetzelfde gebouw, op een gesloten pg-afdeling. Soms komt het zo uit dat ik alleen naar hem ga en mijn moeder niet bezoek. Dat voelt altijd ongemakkelijk. Zeker sinds mijn moeder laatst opmerkte: ‘Soms ga jij alleen naar pa en niet naar mij.’

Vandaag ga ik naar mijn vader, hij heeft me gevraagd een klusje te doen. Eerst passeer ik de huiskamer van mijn moeder. Een aantal dames zit samen voor de TV, maar mijn moeder is er niet. Ik loop langs de kamer waar mijn moeder woont, op de begane grond, pal naast de ingang. Op de vensterbank staan wat foto’s, haar witte fauteuil staat er, een schemerlamp, een klein vierkant tafeltje, een kastje en haar bed. Op het prikbord achter haar bed enkele foto’s van kleinkinderen.

Ze zit op haar kamer. Ik parkeer mijn fiets precies voor haar raam. De schemerlamp zorgt voor een klein lichtbundeltje, waardoor ik haar goed zie zitten. Omdat het buiten schemert, kan ze mij niet zien. Ik blijf even naar haar staan kijken.

Ze zit in haar fauteuil. Ze heeft haar hoofd schuin, haar blik op de grond. Haar handen liggen in haar schoot. Ze doet niks, ze zit. Ze reageert niet op mijn zwaaien, ze ziet het niet. Slaapt ze? Nee, haar ogen zijn open.

Als ik een uurtje later terug kom van mijn vader is het inmiddels pikdonker buiten. Ik kijk opnieuw naar mijn moeder. De schemerlamp is nog steeds aan. Ze zit er nog steeds, als een standbeeld. Haar handen op haar schoot, de blik op de grond.

Ik pak mijn fiets, zwaai nog een keer tevergeefs. “Dag ma!” Ik fiets naar huis met een steen in mijn maag.